Herkenningsverhaal

De wereld die altijd ‘aan’ staat

Van buiten klopt het. De carrière, de agenda, de lunchtrommels, het lijstje in je hoofd dat nooit af is. Je houdt alle ballen hoog en je bent er moe van. Niet het soort moe dat een vakantie oplost. Het soort moe dat 's avonds op de bank zachtjes vraagt: voor wie doe ik dit eigenlijk allemaal?


Er leefde altijd een stille overtuiging in mij: ik kan alles wel even.

Even een nieuw menu invoeren in het restaurant, midden in een volle bezetting. Even afmaken waar ik mee bezig was, terwijl mijn man thuis met het eten wachtte, omdat loslaten en overdragen niet in mijn woordenboek stonden. Even het hele gezinsleven alleen draaiende houden als hij voor zaken naar Nederland ging: de kinderen, mijn werk, het huishouden, het eten, de tuin.

Alsof ons leven gewoon kon doordraaien, alleen dan zonder de helft van de handen.

Even na school nog langs de supermarkt, met kinderen die overprikkeld waren van een hele dag weg zijn en ik die dacht dat ze dáár, tussen de schappen, nog wel een moment zouden luisteren.

Even was het nooit.

Ik noemde het efficiënt. Goed omgaan met mijn tijd. Maar eronder lag iets anders:

een behoefte aan controle die zo vertrouwd was dat ik hem voor mijn karakter hield. En dat is wat ik nu, jaren en veel lagen later, kan zien: controle is geen karaktertrek. Het is een strategie. Van een zenuwstelsel dat heeft geleerd dat rust pas mag als alles af is.

Maar alles is nooit af.

Dus zette ik mezelf op spanning, dag na dag, en initieerde ik het ene plan na het andere, terwijl mijn lichaam allang antwoord gaf. Een adem die hoog bleef hangen. Schouders die niet zakten. Die constante, lichte frustratie van tegen je eigen stroom in bewegen. 

Ik hoorde het wel. Ik luisterde alleen niet.

Mijn lijf fluisterde een andere behoefte, in woorden die ik toen nog niet durfde te verstaan: overgave, rust, vertrouwen.

Misschien ken jij jouw versie van even. Even die mail nog. Even iedereen tevreden. Even sterk blijven tot het weekend. En misschien voel je, ergens onder al dat rennen, diezelfde fluistering.

Wat er bij mij veranderde, was geen besluit. Het was leren luisteren. Eerder, en zachter. Ik herken nu de pusher in mij aan haar stem: kom op, dit kun je er ook nog wel bij doen.

Ik herken haar aan mijn ingehouden adem. En steeds vaker mag daar een andere stem naast bestaan:

Het kan wachten. Het hoeft niet nu. Het hoeft niet perfect. Je bent ok, ook als je het loslaat.

Concreet ziet dat er onspectaculair uit. Als Lars weggaat, kook ik vooruit en ga ik met de kinderen vroeg naar bed. Ik mijd de supermarkt na school, het terrasje tussendoor ook. 

Ik minimaliseer als er minder handen zijn, in plaats van te bewijzen dat ik het alleen kan.

En voor mijn werk: ik deel alleen nog wat vanuit voelen ontstaat, niet wat mijn hoofd bedenkt dat er zou moeten zijn. Zelfs als dat betekent dat het een tijd stil is. Dat is spannend. En het klopt.

Minder controle. Meer vertrouwen. De teugels licht in mijn handen.

En het bijzondere is: het leven rent niet weg als ik stop met rennen. Het komt dichterbij.

Misschien is dat de vraag die dit verhaal je wil meegeven: niet als opdracht, maar als iets om even bij je te dragen:

wat is jouw even? En wat fluistert je lijf, daar net onder?

Meer herkenning