Je schouders zijn gespannen. Dat weet je al jaren. Je rolt ze naar achteren als je eraan denkt, en voor even gaat er iets open, tot ze vijf minuten later weer omhoog zitten. Je hebt er een verklaring voor: een druk seizoen, slecht geslapen, een gespannen type. Het alternatief, dat je lichaam je al jaren iets probeert te vertellen, is moeilijker om toe te laten.
Mijn kaken stonden strak.
Ik hield mijn adem soms zelfs in, alsof er gevaar dreigde, zoals je die ene traptrede vermijdt waarvan je weet dat hij kraakt. Ik voelde wel dat ze gespannen waren, maar wat me pas opviel toen ik er echt op ging letten, was wanneer. Niet in de drukte. Niet bij stress. Als ik naast Lars in de auto zat. Als ik een boek las in bed. Als ik aan het koken was. Op de momenten die voor mij normaal gesproken ontspanning waren.
Tot ik doorhad hoe vaak dat eigenlijk was, en hoe weinig het met de dag zelf te maken had.
Mijn lichaam liegt niet. Het heeft geen taal voor nuance of uitleg, het spreekt alleen in gewaarwording: in spanning en ontspanning, in vasthouden en loslaten. Het zei niet: er is iets mis. Het zei: ik ben al zo lang aan het dragen dat ik niet meer weet hoe uitrusten voelt.
Dat constante aanstaan had ik niet zelf verzonnen. Het was er ooit in gaan zitten, in een tijd dat waakzaamheid nodig was, dat ontspannen te riskant voelde.
Mijn zenuwstelsel had dat grondig geleerd en nooit meer afgeleerd. Zo grondig dat het nog aanstond op een doodgewone avond, in de auto naast de man van wie ik hield, in een leven dat allang niet meer zo onveilig was als het ooit was geweest.
Misschien ken jij dat ook: schouders die omhoog kruipen zonder aanleiding, een kaak die ‘s nachts het werk doet dat overdag niet af kon, een adem die nooit echt zakt, een hart dat klopt alsof er gevaar is terwijl er vrede is.
Het is niet in één moment veranderd. Ik begon met merken: wanneer klemden mijn kaken, wanneer hield ik mijn adem in. Niet om het meteen te corrigeren. Alleen om het te zien.
Als ik nu naast Lars in de auto zit, of een boek lees in bed, check ik af en toe of mijn kaken los zijn. Meestal wel. Soms nog niet, en dan laat ik ze gewoon zijn tot ze het zelf doen.
Dit zijn geen onhandige gewoontes. Dit zijn de sporen van een lichaam dat jarenlang veiligheid heeft gecreëerd door nooit echt los te laten. Het heeft het voor mij gedaan. Het heeft gedaan wat het kon. En nu mag ik het iets anders vragen.
Niet meer: blijf klaar. Maar: het is goed. Je mag zakken.
Dat vraagt geen wilskracht, geen discipline, geen nieuwe techniek die ik trouw moet toepassen. Het vraagt dat ik stop met mijn hoofd te laten bepalen hoe het met me gaat, en begin te luisteren naar wat er in mijn lichaam leeft. Niet om het te analyseren. Om het eindelijk te horen.
Misschien is dat iets om even bij je te laten zijn, zonder dat er iets mee hoeft: wanneer, op een moment dat eigenlijk ontspanning zou moeten zijn, staat jouw lichaam nog aan? En wat zou er gebeuren als je het gewoon even opmerkte, zonder het te corrigeren?
Je hoeft niet te weten wat er precies vastzit. Je hoeft het niet te kunnen benoemen. Je hoeft alleen bereid te zijn om even bij je lichaam te zijn, in plaats van erboven.