Herkenningsverhaal

Het lichaam dat al wist wat het hoofd nog ontkende

Over de signalen die er altijd al waren en waarom we leren ze niet te horen.

Je schouders zijn gespannen. Dat weet je. Dat weet je al jaren. Je rolt ze soms even naar achteren als je eraan denkt, en voor even gaat er iets open maar vijf minuten later zitten ze er weer.

Je kaken ook. ‘s Ochtends wakker worden met een kaak die al gewerkt heeft terwijl jij sliep. Tanden op elkaar. Alsof je ook in je slaap iets vasthoudt dat je overdag niet los kunt laten.

Je adem zit hoog. Niet altijd merkbaar, maar als je er even op let dan komt hij niet verder dan je borst. Alsof je onderbewust toestemming nodig hebt om diep in te ademen. Alsof volledig inademen te veel ruimte innemen zou zijn.

Je handen liggen in rust als vuisten. Dat noem je normaal. Dat is omdat het allang normaal is geworden.

En je hart, soms klopt het op momenten waarop er niets aan de hand is. Geen aanleiding. Geen reden. Gewoon een klop die net iets te snel gaat, net iets te hard, alsof je lichaam reageert op iets dat jij niet bewust registreert.

Je hebt het uitgelegd. Aan jezelf, aan anderen. Ik ben gewoon een gespannen type. Ik slaap niet zo goed. Het is druk geweest. Het gaat wel weer over.

En misschien geloof je dat ook. Een deel van je in ieder geval. Want het alternatief, dat je lichaam je al jaren iets probeert te vertellen en dat jij het steeds niet hoort, is moeilijker en pijnlijker om echt toe te laten.

Je lichaam liegt niet.

Het heeft geen taal voor nuance of uitleg. Het spreekt alleen in gewaarwording. In spanning en ontspanning. In vasthouden en loslaten. In de adem die stokt en de adem die eindelijk zakt.

Het zegt niet: er is iets mis. Het zegt: ik ben al zo lang aan het dragen dat ik niet meer weet hoe uitrusten voelt.

Dat constante aanstaan is niet iets wat je doet. Het is iets wat er ooit in je is gaan zitten in een tijd dat waakzaamheid noodzakelijk was, dat ontspannen te riskant was, dat je beter altijd klaar kon zijn dan verrast te worden door wat er komen ging.

Je zenuwstelsel heeft dat geleerd. Goed geleerd. Heel grondig geleerd en ook onthouden. Zo grondig dat het nu ook aan staat op een gewone dinsdag, in een leven dat allang niet meer zo onveilig is als het ooit was.

Schouders die omhoog kruipen zonder aanleiding. Een kaak die ‘s nachts het werk doet dat overdag niet af kon. Een adem die nooit echt zakt. Handen die in rust al klaarstaan. Een hart dat klopt alsof er gevaar is terwijl er vrede is.

Dit zijn geen onhandige gewoontes. Dit zijn de sporen van een lichaam dat jarenlang veiligheid heeft gecreëerd door nooit echt los te laten. Het heeft het voor jou gedaan. Het heeft gedaan wat het kon. En nu mag je het iets anders vragen. Niet meer: blijf klaar. Maar: het is goed. Je mag zakken.

Dat vraagt geen wilskracht. Ook niet om nog meer discipline. Geen nieuwe techniek die je trouw moet toepassen.

Het vraagt iets eenvoudigers en tegelijk het moeilijkste wat er is. Het vraagt dat je stopt met het hoofd te laten bepalen hoe het met je gaat. En begint te luisteren naar wat er in je lichaam leeft.

Niet om het te analyseren. Niet om het te begrijpen. Maar om het eindelijk te horen.

Je lichaam heeft al die tijd gewacht. Niet ongeduldig. En ook niet verwijtend. Gewoon, simpelweg aanwezig. Kloppend. Ademend. Spannend en ontspannend. Steeds opnieuw een signaal gevend aan de vrouw die het op een dag zou horen.

Misschien is dat moment wel vandaag.

Je hoeft niet te weten wat er precies vastzit. Je hoeft het niet te kunnen benoemen of verklaren. Je hoeft alleen bereid te zijn om even bij je lichaam te zijn in plaats van erboven.

Even je schouders voelen niet om ze te corrigeren, maar om ze te erkennen. Even je adem volgen niet om hem te sturen, maar om te voelen waar hij is. Even je handen openen niet als oefening, maar als uitnodiging.

Als je merkt dat iets in jou zachter werd bij het lezen, een kleine ontspanning, ergens dan is dat jouw lichaam dat antwoord geeft.

Het wist het al. Het wachtte alleen tot jij ook klaar was om te luisteren.

Meer herkenning